Guus: ‘Als Ramses en ik elkaar weer zagen klonk altijd zijn groet: “‘Dag lieve jongen, ben je daar weer!” Wij herkenden elkaar, als we samen achter de piano zaten, als we ons verwonderden, als we beiden onze streken uithaalden, als we samen huilden en huilden van het lachen om de wereld om ons heen.’